Meteen naar de inhoud

Oorzaken trombose

Op deze pagina kun je de mogelijke oorzaken van trombose vinden. Blijf je vragen houden of staat er iets nog niet tussen wat wel belangrijk is om te benoemen, neem dan vooral contact met ons op: info@tromboseoverlevers.nl

Anticonceptiepil

Als je de anticonceptiepil slikt, verandert de samenstelling van jouw bloed. Het bloed bevat op dat moment meer vrouwelijke hormonen, waardoor het risico op trombose met circa vier keer toeneemt.

Door: Trombosestichting

Als je jong en gezond bent als vrouw, heb je een kleine kans op trombose te ontwikkelen bij het slikken van de pil. Hoe ouder je wordt, hoe groter het risico wordt. Vooral bij vrouwen boven de veertig jaar is het risico op trombose groter. Het neemt ook toe als je andere risicofactoren hebt én de pil gebruikt.

Wil je weten hoe dit bij jou zit? Bespreek dit dan met jouw arts.

Bron: Trombosestichting

Het risico op het krijgen van trombose door de pil neemt toe als je overgewicht hebt of rookt. Daarnaast speelt leeftijd ook een rol, want vanaf 35 jaar heb je een groter risico om een bloedklonter te krijgen als je de pil slikt. Ook speelt het mee of er trombose in de familie voorkomt, er sprake is van een erfelijke stollingsafwijking of of je eerder een trombose hebt gehad.

Heb je eerder een trombose gehad en wil je (weer) de pil slikken? Overleg dit dan altijd met jouw behandelend arts!

Bron: Trombosestichting

Er zijn verschillende soorten anticonceptiepillen op de markt in Nederland. Deze kunnen in twee groepen opgedeeld worden, namelijk in combinatiepillen en progestageenpillen.

Bij combinatiepillen zitten er twee soorten hormonen in, namelijk progestageen en oestrogeen. In het geval van deze pillen, wordt er vaak gesproken over verschillende ‘generaties’ pillen. Het verschil tussen deze ‘generaties’ pillen, zit hem met name in het soort progestageen. En dat zorgt er vervolgens voor dat er verschil zit in het risico op trombose.

Uit onderzoek is namelijk gebleken, dat de zogeheten ‘tweede generatiepillen’ het minste risico op trombose hebben. Let op: het risico is bij het slikken van de combinatiepil áltijd aanwezig. Hoe groot het risico is, hangt dus af of er ook andere risicofactoren zijn bij jou.

Bij een progestageenpil zit er maar één hormoon in, namelijk progestageen. Deze pil wordt ook wel de ‘mini pil’ genoemd en geeft géén verhoogd risico op trombose.

Wil je na jouw trombose weer aan de pil? Dan zou de minipil dus een veilige optie kunnen zijn op het gebied van het risico op trombose. Overleg dit echter wel áltijd met jouw arts. Er zijn overigens ook andere vormen van anticonceptie die geen verhoogde kans op trombose hebben.

Bron: Trombosestichting

Vrouwen die net beginnen met het slikken van de pil, hebben een risico op trombose dat zo’n 10 tot 12 keer hoger is dan niet-gebruikers. Als de pil 6 tot 12 maanden wordt gebruikt, dan is dat risico 4 tot 5 keer hoger. 

Belangrijk om te weten, is dat in de bovengenoemde informatie is uitgegaan van de zogeheten ‘tweede generatiepil’ met levonorgestrel. Er zijn óók anticonceptiepillen die daar bovenop nog eens een 1,5-2 keer zo hoog risico geven, namelijk de derde generatiepil (die desogestrel of gestodeen bevat) en de vierde generatie pillen die drosperidon (bijvoorbeeld Yasmin) bevatten. Dit geldt ook voor de cyproteron (Diane).

Opmerking vanuit Tromboseoverlevers: Er zijn andere factoren die een rol spelen bij de kans op trombose door de pil. Bij de bovengenoemde cijfers wordt er uitgegaan van een gezonde vrouw. Zie het kopje ‘Wat zijn de extra risicofactoren bij anticonceptiepillen?’ om meer hierover te lezen. Wil je exact weten hoeveel kans op trombose jij loopt met jouw pil en/of risicofactoren? Neem dan contact op met jouw behandelend arts.

De Diane-pil is officieel géén anticonceptiepil. Het is een pil dat eigenlijk alleen mag worden voorgeschreven tegen erge acné, maar wel een anticonceptieve werking heeft. Helaas is de Diane-pil in het verleden – en misschien tegenwoordig nog – verkeerd voorgeschreven. Dit heet de ‘Diane-35 affaire’ en hier is veel over te lezen op het internet. Omdat deze pil dus óók een anticonceptieve werking heeft én een verhoogde kans op trombose, staat deze ook in dit lijstje.

Bron: Harteraad

Een vorm van anticonceptie dat bewezen trombose veilig is, is het mirena spiraal. Naast een goede bescherming tegen zwangerschappen, zou de spiraal ook goed moeten helpen tegen overmatige menstruaties. 

Een koperspiraal is ook mogelijk, maar deze zou iets minder goed beschermen tegen zwangerschap. Daarnaast zitten hier géén hormonen in, die je wel nodig hebt om een zware of pijnlijke menstruatie tegen te gaan.

Wil je echt geen spiraal, kan kun je kiezen voor een zogeheten minispil. Dit is een anticonceptiepil met één hormoon. Uit onderzoek zou volgens prof. dr. Saskia Middeldorp uitgewezen zijn dat deze pil zeer waarschijnlijk het risico op trombose niet verhoogt, maar deze gegevens zouden minder zeker zijn dan bij de Mirenaspiraal.

Bron: Harteraad

Volgens prof. dr. Saskia Middeldorp moet je dit niet zomaar doen. Als je acuut stopt met de pil, krijg je een korte tijd daarna een onttrekkingsbloeding (‘menstruatie’), terwijl je voor jouw trombose nog antistollingsmiddelen gebruikt. Dat kan tot een zeer hevige menstruatie leiden.

Het zou volgens Saskia Middeldorp aangetoond veilig zijn om de pil te gebruiken, zolang je een volledige dosering antistolling gebruikt. Dit bleek uit een onderzoek dat eind 2015 is gepubliceerd, waarbij rivaroxaban en vitamine K antagonisten met elkaar vergeleken werden. 

Bron: Harteraad

Toevoeging van Tromboseoverlevers: Bespreek dit vooral met jouw huisarts. Als jij je niet prettig erbij voelt dat je de pil (nog) slikt, terwijl je een trombose hebt gehad, dan kun je altijd samen met jouw arts kijken hoe het aangepakt kan worden. Misschien dat je liever de vraag wilt voorleggen aan jouw behandelend specialist in het ziekenhuis, vooral als er nog geen duidelijke oorzaak is gevonden voor jouw trombose. De pil kan immers wel voor trombose zorgen.

Vrouwen die een pil-gerelateerde trombose hebben gekregen, mogen volgens prof. dr. Saskia Middeldorp na drie maanden stoppen met antistolling. 

In de laatste weken voordat je stopt met jouw antistolling, is het tijd om over te stappen naar een anticonceptievorm die het risico op trombose niet verhoogt, zoals de spiraaltjes of minipil. 

Het is volgens prof. dr. Saskia Middeldorp belangrijk dat je in ieder geval twee weken met de pil bent gestopt, voordat je ook met bloedverdunners stopt.

Door: Harteraad

Volgens prof. dr. Saskia Middeldorp hebben veel vrouwen last van een toename van bloedverlies bij menstruaties als zij vitamine K antagonisten (acenocoumarol, fenprocoumon) of DOACs (rivaroxaban, apicaban, edoxaban) gebruiken. Vaak duurt de menstruatie ook langer.

Het is volgens prof. dr. Saskia Middeldorp belangrijk dat je aangeeft bij jouw behandeld arts als dit jouw dagelijks leven beperkt. Ook als er door jouw arts (nog) niet naar is gevraagd. 

Er zijn meerdere opties, namelijk: het plaatsen van een Mirena spiraal; het gebruiken van de pil (als je weet dat je voorlopig nog niet gaat stoppen met antistolling), of, als de trombose lang geleden is op de eerste dag van jouw menstruatie jouw DOAC overslaan. Prof. dr. Saskia Middeldorp spreekt van een beetje remmen en gasgeven, maar het tromboserisico zou niet verhoogd zijn bij het gebruik van dit middel. 

Daarnaast is een verwijzing naar een gynaecoloog ook aan te raden om bijvoorbeeld uit te sluiten dat er wellicht een vleesboom zit die de problemen veroorzaakt.

Bron: Harteraad

Prof. Dr. Saskia Middeldorp geeft aan dat het mogelijk is om vragen te stellen op de polikliniek vasculaire geneeskunde waar zij werkzaam is. Dit ná een verwijzing door de huisarts of eigen specialist. De polikliniek is te bereiken op: 020-5662098

Bron: Harteraad

In februari 2021 heeft Tromboseoverlevers een artikel geplaatst over trombose door de anticonceptiepil. Dit artikel is geschreven door Eline Boer, een van de oprichtsters van Tromboseoverlevers, tijdens haar afstudeerproductie van haar opleiding journalistiek in 2020. 

Het artikel is hier te lezen. 

Wil je meer lezen over dit onderwerp? Er zijn meer artikelen hierover geschreven door Eline tijdens haar afstuderen, maar deze staan op haar eigen website. Klik hier om daar naartoe te gaan. 

Zwangerschap

Tijdens de zwangerschap verandert er veel in het lichaam van een vrouw. Zo ook rondom de bloedstolling. Dit verandert namelijk, om bloedverlies tijdens de bevalling te verminderen. Dit zorgt er alleen wel voor dat er een hoger risico op trombose ontstaat.

Daarnaast gaat de baarmoeder (uterus) die groeit ook druk uitoefenen op bloedvaten in het bekken en komende bloedvaten van de benen. In deze bloedvaten (met name aders) wordt daardoor de bloeddoorstroming bemoeilijkt, waardoor het bloed minder snel zal stromen. Dit zorgt vervolgens voor een hogere kans op trombose in de bekkenvenen en aders van de benen.

Na de bevalling neemt de volume van de baarmoeder plotseling af. HIerdoor kunnen de stolsels uit de bloedvaten in het bekken en de benen loskomen en op deze manier een longembolie veroorzaken. Hierdoor is de kans op trombose het hoogste in de kraamtijd (tot zes weken na de bevalling).

Bron: Trombosedienst Leiden

Een van de belangrijkste complicaties die tijdens de zwangerschap bij een gezonde vrouw kan optreden, is veneuze trombose. 

Het aantal vrouwen dat tijdens de zwangerschap overlijdt, is de afgelopen dertig jaar duidelijk afgenomen. Toch blijft een longembolie de belangrijkste ‘obstetrische’ doodsoorzaak tijdens de zwangerschap en in de kraamtijd. 

Bij 25% van de fatale longembolieën gebeurt het tijdens zwangerschap zelf. Bij de meerderheid gebeurt het ná de bevalling, waarvan 19% in de eerste dag na de bevalling overlijdt. Het risico neemt gedurende de tweede week duidelijk af.

Bron: Trombosedienst Leiden

Veneuze trombose (een bloedprop in een dieper gelegen ader) komt meestal voor in het been, met name in de kuit. Het kan echter ook op andere plekken ontstaan, zoals in de buik of in het arm. Als deze bloedprop losschiet en in de longen terecht komt, heet het een longembolie.

Bij zwangerschap en in de kraamtijd is er kans op allerlei vormen van trombose. Dus ook een trombosebeen- of arm, buiktrombose of een longembolie.

Een zeldzame vorm van trombose bij de zwangerschap of in de kraamtijd is het ‘kraamhoofd’ (sinustrombose). Dit is een trombose van de sinus sagittalis superior. Het kan leiden tot een opgezet hoofd, hoofdpijn en eventueel stuipen of coma.

Bron: Trombosedienst Leiden

Tromboseoverlevers is over dit onderwerp in gesprek geweest met Prof. Dr. Erik Klok van LUMC in 2021. Het artikel is hier te lezen.

Een Proteïne S-deficiëntie is een van de zogeheten ‘stollingsafwijkingen’ in het bloed. 

Het is een autosomaal dominante aandoening, wat concreet betekent dat de kans op trombose groter is als je van één van beide ouders de mutatie erft. De mutatie domineert, ook als de andere ouder wel een gezonde gen heeft. Autosomaal betekent dat meisjes en jongens evenveel kans maken om deze afwijking te krijgen.

Als jij een proteïne S-deficiëntie hebt en jouw partner niet, dan heeft jouw kind 50% kans om de aandoening te erven.

Klik hier om de uitleg erover in een video te bekijken.

Bron: Cyberpoli

Coronavirus

Het is op dit moment nog onduidelijk waarom mensen met (zeer ernstige) corona zo vaak veneuze trombose krijgen. 

Op dit moment wordt nog onderzocht door artsen en onderzoekers wereldwijd hoe dit komt. In Nederland wordt dit gedaan door Dutch Covid & Thrombosis Coalition (DCTC). Dit is een initiatief door de Trombosestichting. Alle Nederlandse trombose onderzoekers zijn hierin verenigd en alle grote ziekenhuizen (UMC’s) nemen hieraan deel. 

Mensen met een infectie hebben per definitie al een hoger risico op trombose. Bloedklonters ontstaan namelijk bij mensen die schade hebben aan bloedvaten, bijvoorbeeld door een infuuslijn. Dit wordt ook wel lijntrombose genoemd.

Daarnaast hebben mensen met een ernstige infectie ook een grotere kans op trombose door de vele infectiestoffen. Dit kan leiden tot ongewenste bloedstolling en dus tot trombose. Covid-19 is een voorbeeld van zo’n ernstige infectie.

Ook ontstaat een bloedklonter sneller bij mensen die langdurig op bed liggen door bijvoorbeeld ziekte. Daarom komt trombose per definitie vaker voor bij mensen die langdurig in het ziekenhuis (en op de IC) liggen. Ook zonder het coronavirus hebben mensen die in het ziekenhuis liggen overigens een groter risico op trombose: dit is bekend. Meestal krijgen mensen op de IC of na een operatie om deze reden ook preventief al antistollingsmiddelen toegediend op dit gevaarlijke risico te verminderen.

Bron: Trombosestichting

Op dit moment (25-11-21) is bekend dat bijna de helft van de patiënten met corona op de IC een longembolie heeft gehad. Dit kunnen zowel grote stolsels zijn als microstolsels in de longblaasjes.

Bij 10% van de patiënten met corona op de verpleegafdeling ontstaat een longembolie. Waarschijnlijk ontwikkelen veel meer patiënten ook (tijdelijk) trombose in hun armen of benen. Hierover zijn nog geen (harde) cijfers bekend.

Inmiddels is ook duidelijk dat hartinfarcten en herseninfarcten bij corona vaker kunnen voorkomen. Hier geldt ook: er zijn nog geen (harde) cijfers over bekend.

Wil je hier meer over weten? Neem dan contact op met de Trombosestichting. Wellicht dat zij kunnen delen hoe het er op dit moment voorstaat.

Bron: Trombosestichting

Het is bekend dat mensen die een uitgebreide trombose hebben gehad nog lang kunnen kampen met restklachten. In sommige gevallen gaat het niet meer over. Dit heet het posttrombotisch syndroom bij restklachten in het trombosebeen- of arm en bij buikvene trombose. Chronische restklachten na een longembolie wordt het post-longembolie syndroom genoemd.

Bron: Trombosestichting

Als je trombose hebt gehad, dan is het ontzettend belangrijk om te blijven bewegen. Dit stimuleert namelijk de bloedsomloop en stimuleert de aanmaak van nieuwe bloedvaatjes. Op deze manier draagt het bij bij herstel.

Daarnaast heeft jouw lichaam ook tijd nodig om het stolsel op te ruimen. Niet altijd gebeurt dit volledig. In zo’n geval verkalkt het stolsel en raakt het ingekapseld. Vaak worden er nieuwe bloedvaten aangemaakt, soms zelfs om het stolsel heen. Dit proces verloopt gelijktijdig, maar kost wel tijd. Het duurt namelijk in ieder geval drie maanden om een stolsel af te breken en nieuwe haarvaten aan te maken.

Bron: Trombosestichting

De vaccins van AstraZeneca en Janssen veroorzaken in zeldzame gevallen een trombose. Dit wordt VITT of TTS genoemd. Aan deze bijwerking zijn er al een aantal mensen overleden.

Deze bijwerking kan tot 1-4 weken na de toediening van het vaccin optreden. Dit komt door een hevige immuunreactie op het vaccin dat kan leiden tot een laag aantal bloedplaatjes en trombose op zeldzame plekken, zoals een sinustrombose in de hersenen. Het gaat hier dus om trombose in combinatie met een tekort aan bloedplaatjes (trombopenie). Dit is een ánder soort trombose dan een ‘gewone’ trombose. Op dit moment wordt het vaccin van AstraZeneca niet meer toegediend in Nederland.

Heb je eerder een trombose of trombopenie gehad? Dan kun je bespreken met jouw behandelend arts of het mogelijk is om het Janssen vaccin te krijgen. 

Op dit moment is niet bekend of er TTS ontstaat na Pfizer of Moderna. 

Klik hier voor een interview met de directeur van bijwerkingencentrum Lareb over de bijwerkingen. Klik hier voor informatie van het RIVM over de bijwerkingen.

Door: Trombosestichting

Stollingsafwijkingen

Circa 3 tot 8% van de Nederlanders heeft deze mutatie. Hierbij werkt het eiwit proteïne C minder goed.

Vrouwen met deze mutatie die zwanger raken krijgen vaker een miskraam of een doodgeboorte. Dit wordt veroorzaakt door de gemuteerde gen die voor stolsels in de placenta kan zorgen. 

Er zijn twee vormen van deze afwijking in het bloed:

Heterozygoot
Als een van jouw ouders het gen heeft, dan wordt het heterozygoot genoemd. De andere ouder heeft wel een gezonde gen.

Het risico op trombose is bij mensen met heterozygoot Factor V-Leiden vijf tot tien keer groter dan bij mensen zonder deze mutatie. Het risico op longembolie is 15 keer zo groot.

Homozygoot
Hierbij is het gemuteerde gen overgedragen op jou door beide ouders. Jouw ouders hebben in dit geval allebei deze stollingsafwijking.

Deze variant is heel zeldzaam. Als je deze variant hebt, dan is de kans op trombose maar liefst 50 tot 100 keer zo groot vergeleken met mensen zonder deze mutatie.

Bron: Trombosestichting

Circa 2% van de Nederlanders heeft deze mutatie. Hierbij werkt het eiwit proteïne C minder goed. Het risico op trombose is ongeveer 2 keer hoger vergeleken met mensen zonder deze mutatie.

Bron: Trombosestichting

In dit geval stolt jouw bloed sneller dan normaal. Deze mutatie wordt ook wel factor 8 genoemd. 

Het risico op trombose is hierbij vier keer zo groot als bij mensen zonder deze mutatie.

Bron: Trombosestichting

Antitrombine, proteïne C en proteïne S zijn drie eiwitten die de bloedstolling afremmen.

Als je een tekort aan een van deze eiwitten hebt, dan heb je een 5 tot 10 keer zo grote kans op trombose te krijgen vergeleken met iemand zonder een van deze mutaties.

Bron: Trombosestichting

Andere mogelijke oorzaken

Als je aan het reizen hebt, zit je vaak lang stil in een auto, bus of vliegtuig. Hierdoor neemt het risico op een bloedklonter toe. Vooral bij vliegen.

Als je lang stilzit, dan is jouw bloedstorom trager. Daarnaast kan het belemmerd worden doordat je in een bepaalde houding zit. Hierdoor is er een verhoogde stolbaarheid van het bloed en dus een hogere kans op trombose. 

Jonge en sportieve mensen kunnen ook trombose krijgen hierdoor. Als je bijvoorbeeld tijdens het studeren lang stilzit, dan neemt de kans op trombose ook toe.

Bij een lange vliegreis, langer dan vijf uur, is er ook een hogere kans op trombose. Dit komt doordat het zuurstofgehalte in de lucht lager is. Vooral in combinatie met lang zitten in een vliegtuigstoel neemt de kans op een bloedklonter toe. 

Het risco is ongeveer drie keer groter dan op de grond. Het kan voorkomen worden door de kuitspieren, voeten en armen goed in beweging te houden. Daarnaast is het belangrijk om ieder uur voor een beetje beweging te zorgen. 

Daarnaast is het van belang om ruim water te drinken (zonder te overdrijven) en weinig koffie en geen alcohol te drinken. Gebruik geen slaapmiddelen, want je wordt er slap van en beweegt veel minder, waardoor jouw bloeddoorstroming achteruitgaat. 

Ook is het van belang om geen strakke kleding te dragen en eventueel jouw schoenen uit te trekken. Gebruik alleen steunkousen in overleg met jouw behandelend arts. Zelf aangeschafte steunkousen (compressiekousen) kunnen namelijk voor trombose zorgen als ze te strak zitten. En ze werken niet als ze te los zitten.

Bij operaties waarbij gesneden moet worden, zoals bij een gebroken been of enkeloperatie, en een knie- of heupoperatie, is de kans op trombose hoger, omdat er een beschadiging aan de vaatwand kan ontstaan. Het lichaam activeert vervolgens het stollingsmechanisme, waardoor de kans op trombose wordt verhoogd.

Door langdurige bedrust, bijvoorbeeld bij ziekte, een operatie, ongeval of blessure, stroomt jouw bloed minder snel. Hierdoor neemt de kans op trombose toe.

Dit kan ook ontstaan bij jonge en sportieve mensen, bijvoorbeeld als zij een langere tijd stilzitten tijdens de studie. 

Risicofactoren zijn:

  1. Knie- of heupoperatie
    2. Gebroken enkel, arm of been (in gips én rust)
    3. Langdurige (bed)rust
    4. Beschadiging aan de bloedvaten (bv. door het infuus (lijntrombose), ongeluk of operatie)
    5. Zwangerschap en kraambed

Bron: Trombosestichting

Als je kanker hebt kan de samenstelling van uw bloed veranderen, wat de bloedstolling kan beïnvloeden. Dit verhoogt het risico dat je een trombose oploopt.

Kankercellen kunnen eiwitten die betrokken zijn bij het vormen en afbreken van een stolsel aan- en uitzetten. Dit kan het stollingssysteem uit balans brengen waardoor een trombose ontstaat.

Trombose kan ook een indicator zijn voor kanker. Bij ongeveer 5 tot 10 procent van de patiënten met een trombose met een onbekende oorzaak wordt deze veroorzaakt door een onderliggende tumor.

  • Bij een kanker kun je enige tijd verzwakt zijn en daardoor langer behoefte hebben aan bedrust. Hierdoor stroomt jouw bloed trager en is de kans op een trombose groter.
  • Bij de behandeling van kanker kun je  chemotherapie en/of een operatie ondergaan. Deze ingrepen leiden tot beschadiging van bloedvaten, met als gevolg een grotere kans op trombose.
  • Behandeling met een chemo- of hormoonkuur kan de samenstelling van jouw bloed veranderen. Door een andere samenstelling kan zich een stolsel vormen.
  • Trombose komt vaker voor bij bepaalde typen kanker, bijvoorbeeld bij alvleesklier- en maagkanker.
  • In geval van uitzaaiingen kunnen kankercellen het stollingssysteem sneller uit balans brengen waardoor een trombose kan ontstaan.

Daarnaast verhogen onder andere overgewicht, roken, het gebruik van de anticonceptiepil en een erfelijke afwijking het risico op een trombose, ook in het geval van kanker.

Behandeling

Wanneer je kanker hebt met daarbij een eerdere veneuze trombose, dan heb je een grote kans dat de trombose terugkeert. Daarom vormen antistollingsmiddelen de standaardbehandeling voor het voorkomen van trombose. In het geval van kanker worden patiënten meestal behandeld met laagmoleculair gewichtsheparines. Heparines werken namelijk beter bij deze patiënten dan vitamine K-remmers. Patiënten met kanker en trombose wordt geadviseerd om minimaal een half jaar antistolling te gebruiken en hiermee door te gaan zo lang de kanker actief is.

Bron: Trombosestichting

Toggle Inhoud

Door te roken wordt de kwaliteit van jouw bloedvaten verslechterd. Hierdoor kan slagaderverkalking ontstaan. 

De ontstekingen in jouw vaatwand kunnen de stollingsfunctie van jouw bloed activeren. Dit kan er vervolgens voor zorgen dat je een trombose krijgt.

Het risico op trombose door roken wordt aanzienlijk verhoogd als er ook andere risicofactoren bij komen kijken, zoals het hebben van een stollingsafwijking of het gebruik van de anticonceptiepil.

Bron: Trombosestichting

Je kunt trombose krijgen als jouw bloedvat beschadigd is. Dit gebeurt bijvoorbeeld door een ongeval of bij een operatie als er gesneden moet worden. 

Operaties als een gebroken been of enkel, en knie- en heupoperaties brengen een groter risico met zich mee. 

Het is ook mogelijk dat er een beschadiging in het bloedvat ontstaat door veroudering, omdat veroudering kan zorgen voor aderverkalking. Hierdoor kunnen er scheurtjes ontstaan in de vaatwand. In dat geval gaat het stollingssysteem aan het werk om deze te repareren. Soms schieten de stolsels los en komen ze ergens anders in het lichaam terecht, waardoor ze mogelijk een longembolie of herseninfarct veroorzaken.

Niet alleen bij ouderdom, maar ook door jouw leefstijl, kan jouw bloedvat sneller slijten. Hierdoor neemt het risico op aderverkalking en trombose toe.

Risicofactoren zijn:
1. Ouderdom
2. Leefstijl (bv. voeding)
3. Ongevallen
4. Operaties
5. Roken
6. Hoog cholesterolgehalte
7. Suikerziekte
8. Hoge bloeddruk

Bron: Trombosestichting

Boezemfibrilleren wordt ook wel atriumfibrilleren genoemd. Het is een hartritmestoornis waarbij er een grotere kans op trombose is.

Bij deze hartritmestoornis is er sprake van een ontregelde elektrische activiteit in jouw hart. Het ritme en vaak ook de frequentie van het samentrekken van jouw hart is verstoord. Hierdoor stroomt het bloed in het hart wat trager en kan er trombose ontstaan.

Als een bloedstolsel dat wordt gevormd in het hart door boezemfibrilleren in de bloedstroom wordt meegevoerd, dan kan het in de hersenen schieten. Hierdoor kan een herseninfarct of TIA ontstaan. 

Bij deze hartritmestoornis wordt je daarom ook altijd behandeld met antistollingsmiddelen (ook wel bloedverdunners genoemd). 

Oorzaken:
1. Hoge bloeddruk
2. Beschadigde hartkleppen
3. Slagaderlijke verkalking
4. Aandoeningen van bijvoorbeeld longen (tumor of longontsteking)
5. Aandoening van schildklier (hyperthyroïde)
6. Diabetes
7. Overmatig alcoholgebruik
8. Langdurige stress
9. Neurologische stoornissen

Bron: Trombosestichting

Deze zeldzame aandoening komt vooral voor bij vrouwen tussen de 30 en 50 jaar. Hierbij ligt (meestal de linker) bekkenader ingeklemd tussen de rechterbekkenslagader en de wervelkolom.

Door deze vernauwing neemt de druk in jouw linkerbeen toe, omdat jouw bloed niet snel genoeg kan doorstromen. Daardoor ontstaat vochtophoping in het linkerbeen (oedeem) en heftige pijn en een gespannen gevoel tijdens het lopen (veneuze claudicatio). 

May-Thurner syndroom verhoogt de kans op veneuze trombose. De oorzaak van het May-Thurner syndroom is een vernauwing van de bekkenader waardoor de uitstroom van het bloed uit het been belemmerd wordt. Meestal zit deze vernauwing in de linker bekkenader. De vernauwing ontstaat doordat één van de slagaders in het bekken te dicht op het bekkenader ligt. Hierdoor wordt de bekkenader samengedrukt tussen de slagader en de achterliggende ruggenwervels. Het bloed uit het been kan hierdoor minder goed wegstromen en de druk in de aders van het been loopt op. De vernauwing in de ader is te behandelen door middel van dotteren en het plaatsen van een stent.

Het syndroom wordt ook wel iliacaspoor of bekkenspoor genoemd en is een zogenaamd veneus compressiesyndroom. Bij een veneus compressiesyndroom wordt een ader geheel of gedeeltelijk dichtgedrukt.

Bij het May-Thurner Syndroom is er een hoger risico op het posttrombotisch syndroom. Dit is een chronische aandoening aan de aderen. Het posttrombotisch syndroom ontstaat bij ongeveer een kwart van de patiënten die een trombosebeen of trombosearm hebben gehad. Het bloedstolsel in een trombosebeen of trombosearm heeft de klepjes in de aderen beschadigd, wat pijn en blijvende, zichtbare afwijkingen kan veroorzaken.

Bron: Trombosestichting